De milieu-impact van netwerkaansluitingen verlagen

News Gepubliceerd op {{ $filters.formatDateWithYear(1646866800000) }}

TenneT TSO is netbeheerder in Nederland en Duitsland en heeft daarmee een cruciale rol in de energietransitie. Het bedrijf houdt zich onder meer bezig met de netaansluiting van verschillende windparken die in de komende jaren worden gebouwd. Om de hernieuwbare elektriciteit, opgewekt door het windpark, zo efficiënt mogelijk via het elektriciteitsnet bij de gebruiker te krijgen, zijn (offshore) transformatorstations en transportkabels nodig.

Het realiseren van deze assets brengt een vraag naar materialen als staal, koper, aluminium en kunststoffen met zich mee. De productie en verwerking van deze materialen heeft een milieu-impact, zoals de uitstoot van broeikasgassen. Ook het gebruik van deze assets leidt direct en indirect tot impact op het milieu door emissies en verliezen van opgewekte elektriciteit.

Samenwerking

TenneT heeft doelstellingen geformuleerd voor de reductie van broeikasgassen (op wetenschappelijke basis) en milieu-impact in brede zin. Om hier concrete invulling aan te geven, is gekozen om te sturen op milieu-impact in alle nieuwe offshore tenders.

TenneT zet hiermee een grote stap voorwaarts in de verduurzaming van het energienetwerk. Hiervoor is een samenwerking aangegaan met Aratis en Witteveen+Bos. Witteveen+Bos heeft de milieu-impactreferentieberekeningen verzorgd. Aratis implementeert de berekeningen in het duurzaamheidsprogramma van TenneT en vertaalt deze naar praktische toepassingen in de tenders voor onder meer de offshore activiteiten in Nederland en Duitsland.

'TenneT verplicht zich om scope 1 en 2 broeikasgasemissies tegen 2030 met 95 % te verminderen ten opzichte van 2019. Ook verplicht TenneT zich tot het verminderen van scope 3 broeikasgasemissies van aangekochte (kapitaal)goederen en diensten met 30 %.'

Methode

De aanpak voor het verlagen van de milieu-impact richt zich op het stimuleren van de gehele keten, waarbij is begonnen met de directe leveranciers van TenneT. Zij worden gestimuleerd de goederen en/of diensten tegen een zo laag mogelijke milieu-impact aan te bieden. Hiervoor wordt op basis van referentieontwerpen een levenscyclusanalyse (LCA) gedaan, waar de verschillende milieu-effecten (zoals klimaatverandering, eutrofiëring, verzuring) inzichtelijk kunnen worden gemaakt. De scope bij deze referentieontwerpen richt zich op aspecten die binnen de invloed van de aanbiedende partij liggen.

Deze milieueffecten worden vervolgens in een ‘single score indicator’ vertaald, volgens de wegingen in de Milieu Kosten Indicator (MKI). Deze MKI wordt bepaald voor verschillende denkbare scenario’s voor de samenstelling en herkomst van materialen in een transformatorplatform of bijvoorbeeld een transportkabel.

De maximale en minimale waarden vormen een boven- en ondergrens voor een fictieve korting op de inschrijving. Naarmate de aanbieder lager aanbiedt zal deze een grotere fictieve korting krijgen, zoals bepaald in EMVI (Economisch Meest Voordelige Inschrijving) van desbetreffende tender. Op deze manier kan de aanbieder met het meest duurzame ontwerp zich onderscheiden ten opzichte van de rest van de markt en hiervoor beloond worden.

Uitwerking

De 2GW High Voltage Direct Current (HVDC) offshore transformatorplatforms en HVDC transportkabels zijn op basis van de MKI-methodiek doorgerekend door Witteveen+Bos. Hierbij is naar voren gekomen dat voor offshore platforms de herkomst van het bulkmateriaal (constructiestaal) van groot belang is. Zo kan een hoger aandeel gerecycled staal voor meer reductie van de milieu-impact zorgen en voor primair staal is de producent, door technologie en regelgeving, van grote invloed.

In de gebruiksfase is door emissie van isolatorgas (zwavelhexafluoride, SF6) sprake van emissie van broeikasgassen. Dit gas komt incidenteel vrij, maar kan een significante invloed hebben op de totale milieu-impact. Alternatieve isolatorgassen en vacuümschakelaars bieden oplossingen, maar vormen ook nieuwe uitdagingen omdat alternatieve isolatorgassen bijvoorbeeld onder PFAS vallen.

Voor kabels is de geleider, in veel gevallen van koper, van zeer grote invloed. Dit geldt zowel voor de realisatie (grondstoffenwinning en materiaalproductie) als de gebruiksfase (kabelverliezen). Wederom is de herkomst van het koper van groot belang, maar ook zijn trade-offs aanwezig waarbij het gebruik van meer koper leidt tot minder kabelverliezen.

Vooruitblik

Het gebruik van de MKI in tendercriteria heeft veel potentie voor bredere toepassing in projecten van TenneT. Het bedrijf kan zo nog nadrukkelijker sturen op verlaging van de milieu-impact in de gehele keten. Gezien de aanstaande groei van het aantal windparken op zee, zal Witteveen+Bos de referentieberekeningen aan transformatorstations en transportkabels bij grote offshore energieprojecten voorzetten. Dit geldt ook voor onshore kabeltracés. Aanvullend zullen ook elektrotechnische installaties (transformatoren) volgens de MKI-methodiek worden beoordeeld op de milieu-impact.

Ook essentiële materialen zoals geleiders (koper, aluminium) en constructiemateriaal (staal) bieden veel ruimte voor verlaging van de milieu-impact en zullen daarom ook onderwerp van gesprek blijven.