Pilot voor biodiversiteitsonderzoek met eDNA in Reevediep

Pilot voor biodiversiteitsonderzoek met eDNA in Reevediep

Pers Gepubliceerd op {{ $filters.formatDateWithYear(1785794400000) }}

Kun je in kaart brengen welke planten- en diersoorten in een natuurgebied leven zonder honderden uren veldwerk? Dat testen Witteveen+Bos, EcoPulse, TNO en Datura deze zomer in het Reevediep, een nieuwe waterverbinding vlakbij Kampen, tussen de IJssel en het Drontermeer. Met behulp van environmental DNA, kortweg eDNA, verzamelen en analyseren onderzoekers DNA-sporen. Zo ontstaat een beeld van de planten- en diersoorten die in een gebied voorkomen. Dit gebeurt al vaker via water- en bodemmonsters, maar wat deze pilot extra bijzonder maakt is de inzet van luchtbemonstering.

Sneller, completer en minder verstorend

Traditioneel brengen ecologen de biodiversiteit in kaart door planten en dieren in het veld te inventariseren. Dat kost veel tijd, is arbeidsintensief en kan de natuur verstoren. Met eDNA kan een deel van die inventarisatie sneller, completer en met minder verstoring plaatsvinden.

eDNA vervangt het traditionele veldwerk niet, maar is een waardevolle aanvulling. De eDNA-methode kan helpen om soorten sneller op te sporen en gerichter onderzoek te doen. De methode wordt steeds geavanceerder en betaalbaarder en daarmee breder toepasbaar. Bij wijze van pilot en als investering in de gezamenlijke kennisontwikkeling, bemonsteren en analyseren Witteveen+Bos, EcoPulse, TNO en Datura de biodiversiteit in de omgeving van het Reevediep. Dat is een nieuwe waterverbinding bij Kampen die is aangelegd in het kader van Ruimte voor de Rivier.

Reevediep

Het Reevediep is een geschikte plek om de eDNA-methode te testen. Het gebied is recent ontwikkeld in opdracht van Rijkswaterstaat en de provincie Overijssel. De voormalige polder is uitgegroeid tot een waterrijk gebied (wetland) dat zich nog steeds ontwikkelt. Vogelspotters uit het hele land komen er al naartoe om soorten als krooneend, kemphaan, reuzenstern, roerdomp en zeearend te bewonderen.

Sebastiaan Schep is vanuit Witteveen+Bos initiatiefnemer van deze pilot: ‘Voor de nodige verbetering van de biodiversiteit is het nodig om de biodiversiteit als geheel beter meetbaar te maken. Toen ik hoorde van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het meten van lucht-eDNA, wilde ik deze zo snel mogelijk testen op praktijkschaal. Het Reevediep, waarvoor wij als Witteveen+Bos hebben geadviseerd, leent zich hier uitstekend voor.’

'We vergelijken het Reevediep met een polder die lijkt op hoe het gebied er vroeger uitzag. Dat doen we door het eDNA-onderzoek in beide gebieden met elkaar te vergelijken. We bemonsteren daarvoor de lucht in de omgeving.'

Sebastiaan Schep

Metamorfose

De provincie Overijssel heeft veel belangstelling voor de uitkomsten. ‘Jarenlang hebben we gewerkt aan het project en we hebben de metamorfose van een polder en weidevogelgebied naar een wetland van dichtbij meegemaakt’, zegt Arjan Otten, strategisch adviseur natuur bij de provincie Overijssel. ‘We hebben de ontwikkeling van planten, dieren en leefgebieden altijd gevolgd. Maar we hebben nooit goed in beeld gebracht hoe de biodiversiteit als geheel is veranderd.’ 

Sebastiaan Schep: ‘We vergelijken het Reevediep met een polder die lijkt op hoe het gebied er vroeger uitzag. Dat doen we door het eDNA-onderzoek in beide gebieden met elkaar te vergelijken. We bemonsteren daarvoor de lucht in de omgeving. EcoPulse zet daarvoor haar mobiele systeem in op een aantal vooraf bepaalde routes, waarmee in een korte tijd duizenden kubieke meters lucht over een groot gebied worden bemonsterd. TNO plaatst een vast meetpunt bij de Scheeresluis, die vanaf die plek juist het verloop over de tijd vastlegt. De twee methoden zijn daardoor complementair. Daarnaast worden er water- en bodemmonsters verzameld. Het opgevangen eDNA wordt in het lab van Datura geanalyseerd.’

Hoe werkt eDNA?

Elk levend wezen laat voortdurend microscopische DNA-sporen achter. Denk aan huidcellen, haren, uitwerpselen, speeksel, slijm of stuifmeel. Door deze sporen uit lucht, water en bodem te analyseren, kan worden vastgesteld welke soorten in een gebied voorkomen. Het is bijvoorbeeld interessant om te zien of er DNA-sporen van de waterspitsmuis of de grote modderkruiper worden gevonden. Voor beide soorten zijn in het Reevediep speciale leefgebieden ingericht.

Meer monitoring nodig

De eDNA-methode is veelbelovend als het gaat om het monitoren en verbeteren van de biodiversiteit in ons land. ‘We zien dat de opgaven voor monitoring van de natuur fors toenemen. Niet zozeer in de natuurgebieden maar vooral daarbuiten, zoals in het agrarisch en stedelijk gebied. We zullen de ontwikkelingen op het gebied van eDNA-onderzoek dan ook met belangstelling blijven volgen’, zegt Arjan Otten. ‘Maar stiekem hoop ik natuurlijk ook op nieuwe soorten in het Reevediep die we nog niet kennen!’

Meer informatie

<>